Vuil, vol en sloom: werkmanstreinen in België
“Elke dag om vier uur uit de veren, om twee uur later op mijn werk te arriveren. Dikwijls zitten de treinwagons tjokvol met vuile, bezwete collega’s, omdat de tijd ontbreekt om zich ’s ochtends te wassen. Onderweg probeer ik soms een uiltje te knappen om de verloren slaap in te halen, maar dat is geen evidentie in de oncomfortabele werkmanstreinen. Pas om 20.30 komt mijn trein weer in mijn dorp aan en moet ik nog een halfuurtje stappen door de donkere velden om mijn huisje te bereiken. De dagen zijn ondraaglijk lang! Meer dan 17 uur werken en op de trein zitten, om een krappe 7 uurtjes thuis te zijn…”
Dat sombere verhaal van een Waalse staalarbeider is slechts één van de vele persoonlijke getuigenissen die Emile Vandervelde, professor aan de ULB, in 1903 verzamelde voor L’exode rural et le retour aux champs, een onderzoek over plattelandsvlucht. Meisjes en jongens uit kroostrijke landbouwersgezinnen werden in het begin van de vorige eeuw door bittere armoede gedwongen om een baan te zoeken in de stad.
Werkmanstreinen zorgden voor vervoer. Limburgse en Oost-Vlaamse mijnwerkers en staalarbeiders legden per dag tientallen kilometers af naar de industriële bekkens van Mons, Charleroi en Luik. Uit de Kempen en het Waasland spoorden dokwerkers bij het krieken van de dag naar de haven van Antwerpen, terwijl arbeiders uit West-Vlaanderen en Henegouwen een vroege werkmanstrein naar de textielfabrieken van Roubaix of Tourcoing namen. Nog tot 12 september 2010 komen hun dagdagelijkse treinervaringen aan bod in de tentoonstelling Met de trein. 175 jaar sporen die loopt in Lamot (Mechelen).
Om de plattelandsvlucht tegen te gaan, besliste de Belgische overheid in 1869 om zogenaamde werkmanstreinen in te leggen. Dankzij een scherp geprijsd abonnement konden arbeiders voortaan ook van de trein gebruik maken, hoewel het comfort van die fabriekstreinen veel lager was. Vaak ontbraken er zelfs zitbanken in de rijtuigen! Wachtzalen in stations werden ook volgens klasse gescheiden. Het succes was in de eerste jaren nog aarzelend. Pas in 1883, toen de spoorwegen de tarieven opnieuw verlaagden, sloeg de formule aan. Nauwelijks vijf jaar later werden er al één miljoen werkmanstreinkaartjes uitgeschreven, in 1903 meer dan zes miljoen. Een weekabonnement voor arbeiders kostte toen minder dan een gewoon spoorkaartje derde klasse heen en terug.
Grosso modo waren er twee soorten pendelaars. Sommige arbeiders spoorden op maandagochtend naar hun werk in de stad en keerden pas op zaterdagavond naar hun dorp terug. Gepakt en gezakt, met broden zo groot als karrenwielen en een lekker stuk spek, stapten ze op de trein. Overnachten deden ze op kleine kamertjes, vaak met zijn zessen of meer, soms met twee of drie personen in één bed. Andere arbeiders spoorden elke dag op en neer. Omdat trajecten van 50 kilometer of meer geen uitzondering waren, duurde de treinreis vaak urenlang.
Hoe zat het in jouw gemeente of regio? Vind je sporen van deze pendelgeschiedenis terug?
Leestips:
- HESSELINK (H.G.), Geschiedenis de spoorwegen Gent-Terneuzen en Mechelen-Terneuzen, 1865-1948 (Kloosterzande 1982)
- POLASKY (Janet), “Een typisch Belgisch fenomeen: de werkmanstreinen en hun sociaal-economische impact”, in: Van der Herten (Bart), Van Meerten (Marco) & Verbeurgt (Greta) (red.), Sporen in België: 175 jaar spoorwegen, 75 jaar NMBS (Leuven 2001) 322-334.
- STROOBANTS (Bart) & VERHOEVEN (Gerrit), Met de trein. 175 jaar sporen (Mechelen 2010)
- VANDERVELDE (Emile), L’Exode rural et le retour aux champs (Parijs 1910)
Informatie tentoonstelling Met de trein. 175 jaar sporen
De tentoonstelling 'Met de trein. 175 jaar sporen' vindt plaats in Erfgoedcentrum Lamot, Van Beethovenstraat 8-10 (ingang Haverwerf), 2800 Mechelen.
Alle info vind je op deze website: http://trein.mechelen.be.
Afbeeldingen:
(boven): Werkmanstrein, (c) KADOC
(onder) campagnebeeld tentoonstelling
Met veel dank aan Gerrit Verhoeven voor de tekst van dit bericht.








