In de negentiende eeuw beschreven schrijvers in realistische of naturalistische romans en toneelstukken de leefomstandigheden van arbeiders en kleine boeren als ronduit deprimerend. Slechte werk- en woonomstandigheden, honger, alcoholverslaving, buitensporig geweld, gebroken gezinnen, enzovoort, enzovoort: het behoorde allemaal tot het dagelijks leven van de homo pauper. Of in woorden van boer Paemel in de roman van Cyriel Buysse: “weirken tot da ge creveert”.